Menu overslaan

Tooske Ragas groeide op met twee oudere broers. Een van hen, Jan-Pieter, heeft het syndroom van Down. In 2012 vroegen wij Tooske wat zij vindt van de NSGK-campagne Samen Spelen. Dat vond ze maar een rare vraag! ‘Wie kan er nu tegen zo’n fantastisch initiatief zijn? Toen we klein waren speelden mijn broers en ik altijd samen met andere kinderen. Jan-Pieter net zo goed hoor! Als kind moet je leren je in het leven staande te houden tussen anderen. Dat lukt niet als je iedere dag thuis zit met je ouders. Je moet oefenen. Dat kan alleen door te spelen met andere kinderen.’

Tooske: ‘Als kind waren mijn broers en ik altijd buiten. Zodra we vrij waren, zei mijn moeder: hup jongens! Lekker spelen! Aan het eind van de dag blies ze op de scheepstoeter. Ik hoor het nóg: lang-kort-kort-lang. Dan wist je: binnenkomen! Het zijn prachtige herinneringen; zomervakanties duurden eeuwig. Weken achtereen bouwde ik met mijn vrienden hutten die we telkens opnieuw inrichtten met takken en stokjes. En maar onderhandelen. Het was een soort maatschappijtje in het klein, waarin we op allerlei gebieden onze eerste oefenslagen maakten. Voor kinderen is het zo belangrijk om gewoon maar een beetje aan te rommelen zónder volwassenen in de buurt die alles de hele tijd willen oplossen. Spelenderwijs leer je ruziemaken en het weer goedmaken, grenzen verleggen, onderhandelen – waardoor je je later beter kunt redden.’

Zelfvertrouwen en trots

‘Jaap is 2½ jaar ouder dan ik en Jan-Pieter 5 jaar. Jan-Pieter heeft Down, maar hij speelde net als wij gewoon buiten. Hij was vooral van het voetballen; was keeper in het buurtelftal. Ik vermoed dat hij best weleens een balletje teveel doorliet. Zijn vrienden zullen daar ongetwijfeld soms van gebaald hebben, maar daar lieten ze weinig van merken. Voor zover ik weet, was het geen ‘ding’ dat Jan-Pieter Down had. Hij hoorde er gewoon bij. Ik herinner me nog dat Jan-Pieter als puber een button kreeg van onze ouders. Daar stond op: Ik ben anders. Nou en? Dat illustreert perfect wat mijn ouders mijn broer wilden meegeven. Zelfvertrouwen. Trots. Spelen met vriendjes was daarin heel belangrijk. Alleen zij konden hem het gevoel geven: je bent anders dan wij, maar in onze groep is ook ruimte voor jou. Je mag er zijn. En dat is toch waar het allemaal om draait, voor mensen met én mensen zonder handicap. Dat je er mag zijn. Als kind moet je leren je eigenheid te vinden en je in het leven staande te houden tussen anderen. Dat leer je niet als je altijd alleen maar thuis zit met je ouders. Je moet oefenen. Dat kan alleen door te spelen met andere kinderen.’

Stevig in je schoenen

‘Jan-Pieter ging naar het speciaal onderwijs. Ik denk dat het dan extra belangrijk is dat je buiten schooltijd ook kinderen ziet die niet ‘speciaal’ zijn. Kinderen met een handicap leren heel veel van spelen met kinderen zonder handicap. Ze zien: deze kinderen zijn anders dan ik, maar ik vind wél mijn weg daarin. Ik kan gewoon met ze omgaan en het leuk hebben. Het zijn de vingeroefeningen die ervoor zorgen dat je later in de samenleving steviger in je schoenen staat. Bij Jan-Pieter is dat absoluut gelukt. Hij heeft zelfvertrouwen en kan zich over het algemeen uitstekend redden. Zijn vriendjes van toen zien hij nog steeds: een paar keer per jaar spreken ze af. Die vriendjes zijn trouwens evengoed beter geworden van hun contact met Jan-Pieter. Zij leerden al op jonge leeftijd: Jan-Pieter is anders, so what? Hij woont hier ook dus hij speelt gewoon mee. Als zij in hun latere leven iemand tegenkomen die anders is, zullen ze daar toch minder van schrikken. Ze zijn er al een beetje aan gewend en hebben bovendien al jong geleerd zich sociaal op te stellen. Ik bedoel: als je als kind in de speeltuin iemand helpt met schommelen omdat hij dat zelf niet kan, dan is de kans groter dat je op latere leeftijd je bejaarde buurvrouw even een bordje eten brengt.’

Zorgzaam en vriendelijk

‘Ik hoop van harte dat onze dochters Leentje, Fien en Catoo en Bastiaans zoon Sem zullen opgroeien tot mensen die openstaan voor een ander. Om mij heen zie ik dat nu soms anders. In de Westerse wereld zijn wij heel lang vooral bezig geweest met rijker worden. We zijn gaan geloven dat het leven maakbaar is; dat alles en iedereen perfect moet zijn. Iedereen die een beetje anders is, vinden we eng. En wat doen we als we iets eng vinden? Dan worden we vijandig. Maar als je drie keer iemand gezien hebt die anders is, dan is hij niet anders meer. En nu lijk ik net Michael Jackson die een liedje zingt, maar: socialer in het leven staan, begint toch bij kinderen. Als je van jongs af gewend bent om kinderen te zien met hoofddoekjes, flaporen, rood haar of in een rolstoel dan leer je spelenderwijs dat anders zijn niet erg is. Zodat je ook later gewoon met elkaar om kunt gaan. Dat is precies waarom ik de NSGK-campagne Samen Spelen zo belangrijk vind. Het gaat over vriendelijk en zorgzaam zijn voor elkaar.’

Interview: Annet Reusink

Lees ook:

  • Verhaal 13

    Tooske Ragas: ‘Mijn broer is anders. So what?’

    BN’er Tooske Ragas groeide op met twee oudere broers. Een van hen, Jan-Pieter, heeft het syndroom van Down.

  • Verhaal 42

    Bijzondere broodjes

    In Nederland zitten talloze jongeren thuis. Ze willen best werken – niets liever! – maar komen vanwege hun beperking nergens aan de bak. Een slechte zaak, vindt NSGK.

  • Verhaal 58

    Vrolijke survivor

    Rob Hansen (45) woonde als kind in een van de tehuizen van NSGK. Hoe kijkt hij terug op deze jaren en wat vindt hij van onze huidige missie: Beter samen? ‘Ik zou niet weten waarom niet. Met mijn hersens is toch niks mis?’

CBF Centraal Bureau Fondsenwerving ANBI Algemeen Nut Beogende Instelling VriendenLoterij

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen? Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen.