Menu overslaan

‘In een wijk is iedereen verschillend. Dat zou op school ook moeten’

Interview met prof. dr. Wied Ruijssenaars, hoogleraar orthopedagogiek

Prof. dr. Wied Ruijssenaars is hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is onder meer deskundig op het gebied van onderwijs aan kinderen met meervoudige beperkingen. Hij was verbonden aan diverse scholen en instellingen voor kinderen met beperkingen. Op ons verzoek bekeek hij filmmateriaal van de NSGK Samen naar School klassen, en reageerde daarop vanuit zijn expertise en ervaring.

 

Kinderen met ernstige meervoudige beperkingen kunnen geen aanspraak maken op onderwijs omdat ze niet leerbaar zouden zijn. Kunnen kinderen met ernstige meervoudige beperkingen niet leren?

Die kunnen heel veel leren, mits de omgeving van de kinderen gericht is op ontwikkeling en de kinderen uitdaagt. Dat zie ik ook op de filmpjes die zijn gemaakt in de Samen naar School klassen. Kinderen leren communiceren met elkaar. Ze worden uitgelokt door hun omgeving doordat er iets gebeurt waar ze van genieten. Daar reageren ze op, wat de omgeving ook leuk vindt en levert weer nieuwe prikkels op. Zo leren mensen. Binnen een relatie zelf stimuleren en gestimuleerd worden.

Bent u altijd voorstander geweest van onderwijs voor kinderen met en zonder handicap samen?

Nee. Ik ben ruim 12 jaar orthopedagoog geweest op een LOM-school in Nijmegen. De kinderen voelden zich daar erg op hun gemak. Dat ze een probleem hadden speelde geen rol, iedereen had een probleem. We zagen kinderen overspannen binnenkomen en binnen een paar maanden plasten ze niet meer in bed, gingen ze graag naar school, hadden ze weer vriendjes. Dus ik had een heel positief beeld over wat we binnen de LOM-school konden. Toen kwam het ‘Weer Samen naar School’ beleid van de overheid, dat ging om de afschaffing van het MLK en LOM onderwijs, en ik verwachtte daar niets van. Ik vond het een ordinaire bezuinigingsmaatregel die verkocht werd alsof het in het belang van het kind zou zijn. Lange tijd heb ik me daartegen verzet, in lezingen en door erover te schrijven. Je kunt het niet invoeren zonder dat leerkrachten erop voorbereid zijn. En je moet zorgen voor een vervolg: wat doe je na de basisschool? Kinderen moeten dan verder kunnen. Geleidelijk aan is het onderwijs capabeler geworden, zijn leerkrachten er meer op aanspreekbaar, maar het blijft lastig.

Binnen een Samen naar School klas kunnen de kinderen tot leren komen.

En Samen naar School?

Ik heb de filmpjes van de Samen naar School klassen met veel plezier bekeken. Ik was enorm geboeid en vond vooral opvallend hoe ‘normaal’ er gedaan wordt. Waar hebben kinderen behoefte aan in hun ontwikkeling? Aan leeftijdgenoten zoals ze die ook buiten de school ontmoeten! Waarom zou dat voor deze kinderen niet gelden? Dat is heel normaal. En wat voor dingen zouden ze moeten doen? Nou, wat andere kinderen van die leeftijd ook doen: de normale activiteiten. Dat gebeurt bij Samen naar School.

Wat me ook opvalt bij de Samen naar School klassen, is dat mensen heel actief en betrokken zijn. Ik vind het ontzettend goed om te zien dat er veel aandacht gaat naar het werken aan de relatie, de verstandhouding met de kinderen. En dat het steeds dezelfde mensen zijn die de kinderen in de klas ondersteunen, zodat er continuïteit is. Om een goede relatie met het kind op te bouwen, moet het kind zich veilig voelen, zaken moeten voorspelbaar zijn. Binnen een Samen naar School klas kun je zo’n klimaat creëren. Daardoor kunnen de kinderen tot leren komen.

Fantastisch dat het gebeurt en het moet nog veel meer gebeuren. Maar ik vind het wel schokkend om te zien dat het initiatief van ouders moet komen. Scholen zijn toch juist in het leven geroepen om kinderen te helpen in hun ontwikkeling? Wat ik ook zorgelijk vind is dat er beleidsmatig nog geen vervolg aan wordt gegeven. Zijn deze klassen over een periode van tien jaar vol te houden? Blijft het enthousiasme? Daar moet je nu al aan werken. Als de kinderen ouder worden, waar blijven die actieve ouders? Zij hebben dan inmiddels nieuwe vragen vanwege de nieuwe levensfase van hun kind. Het is eigenlijk de taak van het onderwijs om deze dingen te bedenken. En tot nu toe bedenken reguliere scholen het niet zelf…

Dat komt ook omdat deze kinderen niet in beeld zijn bij scholen. Ze hebben een etiket met daarop ‘Niet leerbaar’ en gaan richting kinderdagcentrum.

Ja, met een andere financiering, vanuit het zorgbudget. En dan ben je ze kwijt. Geld van VWS gebruiken in het onderwijs, daar moet je enorm voor oppassen. Daarvoor moeten de twee ministeries samenwerken. Dat hebben wij ook eens geprobeerd rondom dyslexie, maar we kregen ze niet eens samen om de tafel. Ik heb ook in mijn eigen regio aangeboden om er belangeloos over mee te denken, maar ook daar is geen gebruik van gemaakt. Als het mij niet lukt om daar binnen te komen, hoe moeten ouders met een kind met ernstige beperkingen zich dan gehoord voelen? Ik heb dan ook veel bewondering voor de ouders die een Samen naar School klas opzetten.

In de Samen naar School klassen leren kinderen veel van hun leeftijdgenootjes. Hoe kijkt u daar tegenaan?

Wat me opvalt in de opzet van Samen naar School is dat het gaat om natuurlijke activiteiten met leeftijdgenoten. En die leeftijdgenoten gaan ook heel vanzelfsprekend om met kinderen met een beperking. Als volwassene vraag ik me soms af hoe ik dat moet doen als ik te maken heb met iemand met een beperking. Maar kinderen stappen er op af, vragen iets, doen iets. Kinderen zijn over het algemeen heel sociaal en zoeken een manier om samen te spelen, iets te leren, iets uit te leggen, samen te zingen, te troosten. Ouders weten dat, want zo gaat het in gezinnen ook.

Kinderen leren heel erg veel van elkaar. Als volwassenen hebben wij korte-termijndoelen op papier gezet en dan krijg je krampachtige momenten waarin iets moet worden aangeleerd. Wat je eigenlijk doet in de Samen naar School klas, is een situatie creëren waarin kinderen dit soort ervaringen met elkaar kunnen opdoen. Als één kind iets meer kan dan een ander, is het makkelijker om daar de ander in mee te trekken. Kinderen doen dat spontaan. Het is de rol van de volwassene om de stabiele factor te zijn en de omstandigheden te creëren waarin kinderen zich veilig voelen en zich kunnen ontwikkelen.

Er zijn heel wat onderzoeken geweest, recentelijk ook hier in Groningen, naar hoe kinderen met een beperking zich voelen binnen het reguliere onderwijs. Er worden positieve effecten gemeld, maar er zijn meer studies waarin gemeld wordt dat kinderen met ernstige beperkingen zich minder goed voelen binnen het reguliere onderwijs. Ik vind initiatieven als Samen naar School uitstekend. Om te laten zien dat het kan. Je hoeft kinderen niet in een apart instituut te plaatsen. Ze kunnen organisatorisch binnen het onderwijs en daar kun je alles benutten wat je samen kunt doen.

Toen ik in Leuven werkte waren er in Vlaanderen op bepaalde momenten van de dag aparte klassen voor kinderen met leerproblemen binnen het reguliere onderwijs. In deze klassen zaten minder kinderen en er was ondersteuning. Er is ook onderzoek gedaan naar deze klassen en die waren positief. Wat wel heel belangrijk was, bleek uit onderzoek, is dat je het organisatorisch moet verankeren binnen het onderwijs. Het is belangrijk dat de directie er beleid op voert en aangeeft: het is onze verantwoordelijkheid en zo doen we dat. En dat daarvoor geld beschikbaar is en dat dit geoormerkt is. Anders is het gevaar dat de middelen op de grote hoop worden gegooid. En de relatief dure groep die het keihard nodig heeft kan ernaar fluiten. Ik ben het in de loop der jaren steeds meer een beleidsmatig, organisatorisch probleem gaan vinden.

Professionalisering heeft in het verleden het nadeel gehad van segregatie en buitensluiting.

Wat denkt u dat het effect is voor de andere kinderen van de school?

Zij zien dat kinderen met beperkingen gewoon kinderen zijn. Als kinderen gewend zijn aan contacten met kinderen die een beperking hebben, dan normaliseert het. We hebben het leven een beetje raar ingedeeld door een deel van de mensen eruit te halen en naar een aparte school te sturen. Dat is niet normaal. In een wijk of een straat is iedereen verschillend. Dat is normaal. En dat zou je binnen een school ook moeten hebben. Leerkrachten en directies moeten dat uitdragen: dat het normaal is dat er binnen elke klas kinderen zitten die verschillen van andere kinderen. En dat het geen reden is om ze uit te stoten, te pesten, links te laten liggen, nergens bij te betrekken of belachelijk te maken.

Er wordt wel gezegd dat het goed is voor de kinderen zonder beperking, maar daar hou ik niet zo van, dat is ongelijkwaardig. We zijn allemaal anders. We moeten terug naar normaal samenleven. Professionalisering heeft in het verleden het nadeel gehad van segregatie en buitensluiting. Daarom zijn de Samen naar School klassen een goede ontwikkeling.

CBF Centraal Bureau Fondsenwerving ANBI Algemeen Nut Beogende Instelling VriendenLoterij

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen? Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen.